Kim H. Veltman

Kennis vergaren en communiceren met oude en nieuwe communicatiemiddelen

 

Dutch translation of:

“Learning and Communicating with Old and New Media “: UNESCO Conferentie: Das Verbindende der Kulturen. SEKTION: Integrales, lebendiges, gemeinsames Lernen, Orientierungs- und Sinnfragen, Mehrsprachigkeit und Kulturnavigation, Wenen, december 2003, Wenen, 2004.

 

_____________________________________________________________________

1.Inleiding 2. Communicatiemiddelen als verlengstukken van de mens

3. Wereldbeschouwingen, Theorieën van ruimte, Visie en Voorstelling 4. Vijf Veranderingen in de 20ste eeuw   5. Verhouding en Schaal 6. Niet-tastbare en tastbare cultuur. 7. Teksten als bouwstenen van cultuur 8. Herontdekking van metaverhalen . Lokaal-Regionaal-Nationaal-Internationaal-Mondiaal  10. Taal als Unicum 11. Uitdaging van verschillende niveaus van afstand 12. Culturele uitingen als integrerende weg 13. Conclusies

_____________________________________________________________________

 

1. Inleiding

 

Er was een tijd dat het vergaren van kennis en communiceren uitsluitend mondeling plaatsvond. De opkomst van de communicatiemiddelen heeft daar verandering in gebracht en leidde in de 19de en 20ste eeuw tot het inzicht dat de communicatiemiddelen verlengstukken waren van de mens. In de 19de eeuw bestonden er simpele aannames over de rol die communicatiemiddelen speelden en de overtuigingen over een een-op-eencommunicatie tussen wereldbeschouwingen, theorieën van ruimte, theorieën over visie en voorstelling. In de 20ste eeuw wierpen de valkuilen van zulke deterministische modellen en de totalitaire regimes die zich erdoor lieten inspireren een donkere schaduw over het eerdere optimisme van de Verlichting. Gedetailleerde wetenschap en onderzoek ondergroeven deze aannames en mondden uit in vijf veranderingen in methode. Voor sommigen luidden deze veranderingen het eind in van vooruitgang, continuïteit, metavertelling en zelfs alle integratie. Als de 19de eeuw de dood van God inluidde, dan lijkt de late 20ste eeuw de dood van de cultuur in te luiden en het vermogen van de mens te doorgronden wat we denken, doen, maken en uitwisselen. Als dat zo was, dan zou John Donnes beroemde uitspraak gewijzigd dienen te worden in “Everyman is an island” en zou het solipsisme de normaalste zaak van de wereld zijn.

 

De titel van de UNESCO-conferentie toont wel aan dat het niet zo simpel ligt. Deze verhandeling gaat kort in op vier onderzoeksgebieden die nieuwe integratiebronnen aanboren: a) relatie en schaal; b) ontastbare en tastbare cultuur; c) teksten als

bouwstenen van de cultuur en d) de herontdekking van metaverhalen. Er wordt kort aandacht besteed aan twee andere gebieden die aangeven dat er een grotere diversiteit bestaat dan een eeuw geleden werd aangenomen, maar gek genoeg nieuwe wegen openen tot de verbinding van elementen in de cultuur, te weten i) verbindingen tussen lokaal-regionaal-nationaal-internationaal-mondiaal en ii) de ontdekking dat taal uniek is en derhalve niet uitgelegd kan worden als simpelweg een vergelijking tussen verschillende tekens. Er wordt ingegaan op de uitdaging raakvlakken te creëren die verschillende niveaus van afstand in cultuur weerspiegelen. Totslot wordt aangevoerd dat verdere studie voor wat betreft de alledaagse culturele uitingen kan leiden tot nieuwe cultuurmodellen die vroegere Europese en Aziatische modellen  ontstijgen; die de wapenfeiten van zowel nomadische als gezeten culturen samenvoegen; van culturen zonder en culturen met kennis van het schrift, boekdrukkunst en culturen met de modernste communicatiemiddelen.

 

De tijd dat metaverhalen uitgingen van de naïeve aannames dat er slechts een richting is voor iedereen en alle culturen is terecht voorbij. Dat geldt ook voor de aanname dat er slechts een verhaal over kennis of cultuur is. Simplistisch determinisme is geen onderdeel van de menselijke geest of zijn uitingen. Dit wil echter niet zeggen dat geschiedenis er niet meer toe doet, dat er geen cumulatief collectief geheugen is. Er is een behoefte aan nieuwe geschiedenissen van verschillende soorten wetenschap, van wetenschappen, van verschillende manieren van kennisgaring en de manier waarop die onderling werken. Er zijn heel wat nieuwe verhalen te vertellen die de onderliggende lagen blootleggen die we allemaal delen, Das verbindende der Kulturen, zodat we met meer trots onze diversiteit, de subtiele verschillen die ons individueel en uniek maken, onder ogen zien.

 

2. Communicatiemiddelen als verlengstukken van de mens

 

In de 19de eeuw bracht Karl Marx (1867) de idee van communicatiemiddelen als verlengstukken van de mens ter sprake. Ernst Kapp (1877) en Sigmund Freud (1921) werkten dit verder uit. In de 20ste eeuw ontdekten Harold Innes, Buckminster Fuller en vooral Marshall McLuhan dat ieder medium invloed heeft op wat we te weten kunnen komen en hoe we kunnen communiceren.

 

In de 20ste eeuw werd er grote vooruitgang geboekt op het gebied van de boekdrukkunst in de afzonderlijke landen. Wat we hadden aangenomen als zijnde een Westerse uitvinding bleek, via China, uit Korea te komen. Veel verschillen werden duidelijk, daar sommige landen de boekdrukkunst voor verschillende doeleinden gebruikten, variërend van wetshandhaving tot het verspreiden van het geloof en politieke propaganda. Wetenschappers als Goody wezen ons erop dat de overgang van een niet-geletterde naar een geletterde maatschappij, met name in het Afrika van de 20ste eeuw, veel ingewikkelder was dan alleen de vervanging van het ene communicatiemiddel door het andere.

 

Giesecke toonde aan dat de opkomst van de boekdrukkunst een enorme invloed had en dat deze invloed zeer verschilde tussen China, waar ze werd gebruikt om de staatsmacht en de wetten op te leggen, en Duitsland, waar ze in verband werd gebracht met een nieuw idee van kennis uitwisselen, ten publieke nutte, het algemeen welzijn en de staat. Giesecke en anderen wijzen erop dat zich vandaag de dag vergelijkbare trends voordoen met internet. In Duitsland wordt het gebruikt als open bron, open opvatting en zelfs open ontwerp. In sommige andere landen wordt het argument van copyright gebruikt om vrije uitwisseling te voorkomen.

 

Terugkijkend kunnen we de inzichten van de 19de-eeuwse denkers die Innis, McLuhan en hun aanhangers inspireerden tot hun beweringen alleen maar beamen. Communicatiemiddelen hadden een enorme invloed. Nog meer dan zij kunnen we met zekerheid stellen dat communicatiemiddelen niet een noodzakelijk gevolg hadden. Simplistisch determinisme bestond niet. Tegelijkertijd is dit voor ons geen reden te doen alsof de opkomst van nieuwe communicatiemiddelen geen radicale verandering teweegbrachten of ons beïnvloedden. Dat was duidelijk wel zo. De bibliotheek van Alexandrië was groter (zowel qua grootte als inhoud en omvang) dan alles wat er bestond in de maatschappij van v‏‏‏óór de boekdrukkunst. Op hun beurt zijn de grootste bibliotheken ter wereld vandaag de dag (Library of Congress, British, BNF, de Nationale Bibliotheek in Moskou) stuk voor stuk groter dan die van Alexandrië en evenzo vallen zij in het niet vergeleken bij de omvang van de grootste netwerken, zoals de Research Library Group (RLG), die groter is dan de som hunner delen. In 1630 hadden de grootste bibliotheken in het Westen (die van Wolfenbüttel en het Vaticaan) 130.000 boeken. In 1960 hadden de grootste bibliotheken 10 tot 15 miljoen boeken. Vandaag de dag hebben de grootste netwerken toegang tot (in ieder geval de titels van) meer dan 130 miljoen boeken. Waarschijnlijk kan niemand met zekerheid en precisie zeggen wat de grootte en omvang van deze veranderingen zal zijn, maar dat neemt niet weg dat er enorme veranderingen te gebeuren staan. In een zogenaamde post-factische wereld zijn dit cumulatieve waarheden die het verdienen wat meer uitgediept te worden.

 

Ook ontdekken we dat ons cumulatief geheugen ons helpt te registreren en dat dit proces verschilt van cultuur tot cultuur. Er kan derhalve geen sprake zijn van een enkele wereldgeschiedenis die over alle volkeren even diepgaand handelt. Immers, deze culturen legden hun geschiedenis niet op dezelfde manier vast. In sommige culturen, zoals die van het oude Egypte of die van de Azteken of Khmers, koos men er bewust voor vooral, en soms uitsluitend, de gedenkwaardige daden of prestaties van een bepaalde klasse of kaste op te tekenen. Op mondiaal niveau bezien is er een tendens ontstaan om te beginnen met het vastleggen van de wapenfeiten van een heersende klasse en langzaamaan heeft dit proces van vastleggen zich uitgebreid naar andere groepen en uiteindelijk iedereen. Hoe dit gebeurde, waarom er geen gewone vooruitgang bestond, is tot op heden nergens vastgelegd, niet alleen waar het de feiten betreft, maar ook voor wat betreft de beslissingen om slechts delen en aspecten van een veel groter geheel op te tekenen.

 

Bij nader inzien komen we erachter dat het juist die culturen zijn wier methoden om kronieken en geschiedenissen op te tekenen beperkt bleven tot de oorspronkelijke groep, die ook geleidelijk verdwenen, soms onverwacht, zoals bij de Azteken en Khmers het geval was. Het steeds verder uitbreiden van het arsenaal aan voorbeelden dat gebruikt wordt voor het collectieve geheugen is een van de ingrediënten om een cultuur levend te houden. Een voor de hand liggend aspect hiervan is dat instellingen van het collectieve geheugen (bibliotheken, musea en archieven) een centrale rol spelen in alle geletterde culturen. Een meer diepgaand aspect ervan is dat een zich uitbreidende omvang van het collectieve geheugen, met een steeds betere toegang tot dit erfgoed, een sleutel is tot bewustzijn van wat verschillende culturen delen, hoe we mettertijd veranderen en hoe we ons ontwikkelen.

 

In de 20ste eeuw wilden de Toynbees, de Spenglers en McNeills alleen het grote geheel beschrijven. De cultuurwetenschappers hebben er terecht op gewezen dat er grote bezwaren kleven aan die optimistische benadering. In de 21ste eeuw is het nodig dat we de cultuurgeschiedenissen die een enkel groot geheel onhaalbaar maakten nader bestuderen. Maar als we onze moeite met de problemen van methode laten beletten dat we onderzoek doen naar geschiedschrijvingen, zou de angst dat er geen metaverhalen zijn wel eens bewaarheid kunnen worden.

 


3. Wereldbeschouwingen, Theorieën van ruimte, Kijk en voorstelling

 

Aan de 19de eeuwse-benadering lag een visie ten grondslag die een universeel antwoord zocht op de grote vragen via wereldbeschouwingen. Er bestond een droom dat wanneer we maar bij de bronnen konden komen, we vanzelf de antwoorden hadden. In Oostenrijk werd Wenen een van de centra van deze zoektocht. De grote pogingen als die van Eitelberger von Edelbergs Quellenschrifte für Kunstgeschichte en die van Julius von Schlosser om alle theoretische bronnen van de kunstgeschiedenis te documenteren in Die Kunstliteratur zijn daarvan voorbeelden. Deze zoektocht naar synthese leidde tot de idee van een Gesamtkunstwerk, dat in Rusland tot uitdrukking kwam in de Wereld Kunst beweging. Als iedereen het maar eens kon worden over een algemene standaard, zou alles wel goed uitwerken, zo leek het. Op organisatieniveau mondde dit uit in de Internationale Telecommunicatie Unie (ITU), het Internationaal Standaard Instituut, de Internationale Federatie van Bibliotheek Associaties, het Internationaal Museum Comité, de Internationale Federatie voor Documentatie en later de VN en UNESCO.

 

In Duitsland onderzocht Aby Warburg de verbanden tussen vier basisideeën: Oriëntatie (Religie, Wetenschap, Filosofie), Beeld, Woord en Daad (Politieke en Culturele Geschiedenis) en riep, naar aanleiding hiervan, zijn beroemde bibliotheek in het leven. Hij kreeg gezelschap van Ernst Cassirer wiens weg via de neo-Kantianen uit Marburg liep. Er bestond een onuitgesproken aanname dat onze kijk op de wereld, onze theorieën van ruimte (geometrie), van zien (optica) en de praktijk van het voorstellen (bv. perspectief) noodzakelijkerwijs met elkaar verbonden waren. Een eeuw van gedetailleerd onderzoek en studie hebben een aanmerkelijk complexer beeld aan het licht gebracht, dat aanvankelijk afstand leek te nemen van een universele benadering en meer recentelijk nieuwe mogelijkheden biedt.

 

De gedetailleerde studies van de voorbije eeuw hebben laten zien dat er geen strikt een-op-eenverband bestaat tussen wereldopinies, theorieën van ruimte (geometrie), van zien (optica) en voorstelling (bv. Perspectief); er bestaat geen simplistisch determinisme dat oriëntatie-beeld-woord-daad verbindt, zoals Warburg en de zijnen aannamen. Tegelijkertijd hebben deze gedetailleerde studies laten zien dat het net zo simplistisch zou zijn te beweren dat alles relatief is. Zo is aangetoond dat, terwijl sommigen nog steeds discussiëren over de vraag of de Ouden kennis hadden van lineair perspectief, de Grieks-Romeinse omgang met voorstellingsruimte heel anders was dan die van de Renaissance en dat ze niet inwisselbaar zijn. Dankzij wijsheid achteraf beginnen we ons bewust te worden van het feit dat de doorbraak van alfabetisering minder te maken had met het verbinden van een bepaalde theorie met een bepaalde praktijk maar veeleer met het fenomeen dat wat tot nu toe een op zichzelf staande praktijk was verbonden werd met geschreven theorie over zulke praktijk.

 

Na een eeuw van studie weten we nu ook dat perspectief in de Renaissance niet een uitvinding was die zich plotseling over Europa verspreidde zoals een nieuwe technologie zich vandaag de dag zou verspreiden. Het heeft meer dan twee eeuwen geduurd voordat de nieuwe methoden zich verspreidden en nog langer voordat de betekenis ervan werd doorgrond. Vandaag de dag weten we dat de opkomst van het lineair perspectief in de 15de eeuw hand in hand ging met de opkomst van het cilindrisch en sferisch perspectief en een aantal andere methoden, waarvan sommige zeer technisch en andere slechts empirisch, voor gebruik in werkplaatsen. De ontwikkeling van het perspectief betekende niet dat de opkomst van een methode alle andere overbodig maakte. Wel duidde het op de ontwikkeling van nieuwe verbanden tussen theorieën van ruimte, visie en voorstelling, tussen theorie en praktijk. Deze verbanden verklaren de intrinsieke verbanden tussen het perspectief en de geleidelijke opkomst van de beschrijvende geometrie die zich langzaam begon te ontwikkelen van de 16de tot de 19de eeuw. Het is merkwaardig en in zekere zin ook ironisch dat zowel de 19de als de 20ste eeuw een meer onverwacht proces doormaakte en dat men naar de Renaissance keek om in een spreekwoordelijk moment te ontdekken wat eeuwen nodig heeft gehad om zich te ontwikkelen. Achteraf gezien heeft de late 20ste eeuw ons geleerd om de symbolische identificatie van de ontdekking van het perspectief of de uitvinding van ruimte met een bepaald persoon Brunelleschi en een bepaald moment (de paneelschilderingen van de doopkapel in Florence) ergens tussen 1415 en 1425 los te laten en het in plaats daarvan in verband te brengen met complexe processen van de longue durée (men vergelijke Braudel en de Annales-school).

 

Eveneens hebben we geleerd dat de opkomst van het constructivisme, de opkomst van methoden van voorstelling, die niet langer uitgingen van een noodzakelijke een-op-eengelijkenis tussen het oorspronkelijke object en de voorstelling, niet het eind betekende van het wetenschappelijk perspectief, zoals Novotny destijds veronderstelde (1939). Het perspectief bleef bestaan, het kwam zelfs tot bloei, maar het had niet langer de exclusieve status, wat zij die zich bezighielden met universele theorieën wel verwachtten, veronderstelden en staande hielden. De ironie wil dat zij die geduldig de details van de geschiedenis hebben bestudeerd eerder tot dezelfde conclusies kwamen als de verdedigers van de re-, de-, post-, -ismsscholen van de voorbije eeuw die staande hielden dat we de cumulatieve dimensies van die geschiedenis niet langer nodig hadden.

 

4. Vijf veranderingen in de 20ste eeuw

 

Zoals al opgemerkt leidde de alomvattende deterministische opvattingen van de 19de eeuw tot totalitaire ideeën, -ologieën, -ismes, en regimes die de dodelijke valkuilen van deze benadering blootlegden, wanneer zij tot in het extreme gevolgd werd. Deels als reactie op en deels als gevolg van nieuwe studies, ontstonden er in de eerste helft van de 20ste eeuw tenminste vijf trends die de methoden van wetenschap en onderzoek ingrijpend veranderden. 1) In de exacte wetenschap ondergroef de opkomst van de relativiteitstheorie (Einstein, Bohr, Planck, Schrödinger) de tradities van objectieve kennis. Het principe van onbepaaldheid ging ervan uit dat kennis niet simpelweg een passieve waarneming van de feiten was. “Waarnemen” was een actief proces dat invloed had op de “feiten” die men wilde bestuderen. Exacte wetenschap kon niet langer de simpele ontdekking zijn van de teleologie, een doel- of  formeel motief. De aandacht werd gericht op fysieke en directe motieven. Denkers als Whitehead, Russell en Cassirer onderzochten de filosofische betekenis van deze inzichten. In de literatuur kwam er hierdoor nieuwe aandacht voor de problemen van interpretatie, met name waar het nieuwe recensies betrof. 2) Tegelijk met de verschuiving in de exacte wetenschap in de bestudering van objecten op zich naar hun relatie en beweging, vond er in de kunst een verschuiving plaats van het kopiëren van objecten naar constructivisme, d.w.z. kunst zonder enige verwijzing naar objecten in de natuur. 3) De opkomst van de psychologie als een belangrijke discipline dankzij Freud, Jung en hun opvolgers, zorgde voor een verschuiving in aandacht van het bewuste naar het onderbewuste, van het figuur naar de grond, van het (objectieve) object naar de (subjectieve) context en omgeving ervan. 4) Deze fascinatie voor onderliggende structuren mondde uit in het structuralisme als een nieuw vakgebied in een reeks van disciplines: bv. linguistiek (Ferdinand de Saussure); taal en kunst (Lev Vygotsky); antropologie (Claude Levi-Strauss). Door zijn studie van de Structuren van het Denken ging Karl Mannheim de sociologie van wetenschap onderzoeken. 5) Door de fascinatie voor psychologische en structurele dimensies verschoof de aandacht van historische dimensies naar wetenschap en cultuur.

 

In de tweede helft van de 20ste eeuw zette deze trend zich voort. 1) De relativiteits-theorie in de exacte wetenschap leidde tot relativiteit in alle disciplines. Mannheims werk over sociologie in de wetenschap werd behandeld in Kuhns werk Structure of Scientific Revolutions (1962) a) om te stellen dat wereldbeschouwingen (Welt-anschauungen) uiteindelijk relatief waren en b) om zich te richten op paradigma’s van “normale” natuurwetenschap die door consensus bereikt wordt. Deze benadering werd vervolgens aangenomen als een basisinzicht in de sociale wetenschappen en de humaniora. Sommigen gingen natuurlijk nog verder met hun roep om post-normale benaderingen. 2) Tegelijk met de aandacht voor constructivisme in de kunst bestonden er theorieën van Radicaal Constructivisme in de natuurwetenschappen. Zij kwamen in zwang in de eerste helft van de eeuw (Jakob von Uexküell, 1928); werden verder ontwikkeld door natuurwetenschappers in de tweede helft (Heinz von Förster, Humberto Marturana, Ernst von Glaserfeld) en vonden aansluiting bij de trends in de computerwetenschappen, onderwijs en breidden zich uit naar de sociale weten-schappen en humaniora. 3) De fascinatie voor psychologie zorgde voor a) de erkenning die zelfs de grenzen van gezondheid en ziekte, geestelijke gezondheid en waanzin cultureel en historisch veranderderde (Foucault) en b) een verschuiving van psychologie in het algemeen naar persoonlijke dimensies van psychoanalyse. 4) De aandacht voor structuren vond aansluiting bij de studie van systemenleer, die zich steeds meer richtte op biologische, levens-, en organische systemen. 5) De eerdere aandacht voor structuren, die de geschiedenis negeerde, legde steeds meer nadruk op problemen van methode, die zowel de geschiedenis negeerde als poogt de nieuwe periode aan te merken als iets wat wezenlijk los staat van wat hiervóór kwam en niet zozeer als een continuïteit in een groter geheel.

 

In Rusland was het constructivisme aanvankelijk een reactie op wat werd gezien als een overdreven nadruk op objectieve, passieve elementen van de natuurwetenschap door von Helmholtz in het Europese Westen van de late 19de eeuw. De Russische kunstenaars (zoals Malewich) die nauwe banden had met filosoof-dichter-natuurkundigen (als Florenskii) ontwikkelden een actievere benadering via de concepten van stronie en prostronie, die in het Nederlands met zowel “constructivisme” als “post-modernisme” vertaald kunnen worden. Dankzij deze etymologie kunnen we beter begrijpen waarom Westerse theoretici, met name in een algemeen Marxistische traditie, een speciale voorliefde aan de dag legden voor het post-woord: post-modern; post-koloniaal; post-normaal, enz.

 

Een gevolg van deze ontwikkelingen is dat sommigen zich nu zo bezighouden met problemen van methode en interpretatie dat ze geen tijd meer vinden om zich daadwerkelijk te richten op onderzoek naar de onderwerpsstof. Het doel bereiken is niet langer half zo leuk. Het bestuderen van de wegen naar het doel neemt hun hele reis in beslag. Als gevolg daarvan hebben sommigen (als Lyotard) gesteld dat het tijdperk van metaverhalen tot het verleden behoort. De radicale variant van deze benadering gaat veel verder dan de stelling dat de absolute waarheid passé is. Deze stroming stelt dat waarheid er niet meer toe doet, dat alles relatief is en dat er geen groter geheel meer is om te doorgronden, net zo min als een alomvattend verhaal om uit te wisselen. In een wereld waarin we door een-op-eenreclame studenten gaan zien als een-op-eenklanten van onderwijs, kan het best zijn dat we allemaal leven in een chaotische, bijna – sommigen zouden zeggen totaal – solipsistische wereld.

 

De ironie wil dat deze extreme stroming, die het hardst fulmineert over de dood van de waarheid, teleologie en alle beweringen dat er slechts een exclusieve ontologie is, vaak zelf stelt dat haar interpretatie, haar eigen stroming de enige is die aandacht verdient. Hierdoor wordt het nieuwe relativisme een impliciet absolutisme, dat afgeeft op elitisme en de geschiedenis negeert onder het mom van politieke correctheid, diversiteit en tolerantie. Zij roepen op tot een bespreking onder gelijken, maar bedoelen impliciet de gelijken van hun eigen clubje. Net zo ironisch is het dat deze stroming om het hardst kreten roept als “fragmentatie” als een “groeiende diversiteit van de cultuur in een hap-snapmaatschappij, terwijl ze weeklagen over de voortschrijdende globalisering met ‘McDonaldisatie en Disneyficatie”.

 

Welbeschouwd dient dit extreme standpunt van “absoluut relativisme” zelf nodig herzien te worden. In de afgelopen tien jaar is er trouwens meer besef van en kritiek op de beperkingen van dit extreme standpunt gekomen. Tegelijkertijd is het duidelijk dat de vijf hierboven beschreven trends ook veel positieve bijdragen hebben geleverd. Ze hebben ons laten zien dat zowel personen en objecten als op zichzelf staande zaken bestudeerd kunnen worden, alsook hun (sociale, psychologische en andere) contexten, hun omgevingen, hun interacties evenals hun acties en onderlinge relaties.

 

5. Relatie en schaal

 

Een eeuw geleden dacht men nog vaak dat de zichtbare wereld op de schaal van 1:1 het belangrijkste “onderwerp” van studie was. Nu beseffen we dat de fysieke realiteit een spectrum omvat van het nano-niveau (10 -15) tot de ruimte op een schaal van duizenden lichtjaren (10 24). Steeds meer wordt ingezien dat de grote uitdagingen voor onderzoek in de komende generaties niet zozeer liggen in het bestuderen van de realiteit op een bepaalde schaal als wel in het doorgronden hoe de realiteiten van naast elkaar bestaande schalen onderling werken, onafhankelijk van elkaar zijn en toch een op zichzelf staande complexe realiteit, een complexiteit of complexe realiteiten vormen.

 

Nu we de 21ste eeuw ingaan, zien we opnieuw in dat precieze wetenschap van objecten, hun kwantitatieve maten geenszins dood of passé is. De meer dan 800 miljoen netwerkcomputers die ons in staat stellen 7 miljoen nieuwe pagina’s aan informatie per dag toe te voegen zijn sterk afhankelijk van de ouderwetse exacte wetenschap uit de natuurwetenschappelijke en technische wereld. Dat geldt ook voor de naar schatting 800.000 miljoen (ofwel 800 miljard) sensoren, waarmee we steeds meer van de wereld en het heelal meten op een steeds groter wordend aantal schalen van 10 -15 tot 10 24. Zulke natuurwetenschappelijke en technologische wetenschap is cruciaal voor de ontwikkeling van nieuwe instrumenten die ons helpen de cultuur te begrijpen.

 

Zij die aanvoeren dat zulke kwantitatieve vooruitgang er niet toe doet voor het bestuderen van de cultuur hebben geen besef van de omvang en reikwijdte van de recente toepassingen van nieuwe communicatiemiddelen. Het is wellicht zinvol enkele voorbeelden van drie verschillende vakgebieden te geven, te wetenschap: de wetenschap der schilderkunst, theologie en bibliotheken.

 

Tot en met de eerste helft van de 20ste eeuw werd algemeen aangenomen dat de bestudering van schilderijen alleen ging over de bestudering van de buitenkant. Pas in de laatste halve eeuw ging men meerdere lagen bestuderen, te wetenschap: het oppervlak in zichtbaar licht en verschillende lagen eronder met ultraviolette (UV) fluorescentie, infrarode (IR) fotografie in pseudo-kleuren; infrarode (IR) reflectorgrafie en röntgendoorlichting.

 

Het meest voor de hand liggend nut van deze lagenbestudering geldt de conservering en restauratie. Maar ze is ook van groot belang voor onze theorieën van de esthetiek. Zo hebben onderzoekers aan het Centre de Recherche et Restauration des Musées de France (CRRMF) ontdekt dat Vlaamse schilderijen op voor het blote oog onzichtbare lagen instructies bevatten van de meester over welke kleuren aangebracht dienden te worden door zijn atelierassistenten. Zo worden schilderijen die door wetenschappers vroeger werden geprezen om hun originele, creatieve kleurgebruik en thematiek, nu gezien als onderdeel van de dagelijkse praktijk in de ateliers. Nu de resultaten van deze bestuderingen onder de oppervlakte geleidelijk aan doordringen tot de kunsthistorici en wetenschappers in het algemeen, dienen we onze kijk op de originaliteit van individuen, scholen en wellicht zelfs hele periodes te herzien. Het is niet ondenkbaar dat sommige stukken van de kunstgeschiedenis helemaal herschreven moeten worden.

 

Tot voor zeer kort zouden weinigen duidelijke verbanden zien tussen geneeskunde, neurofysiologie, godsdienst en culturele gebruiken. In 2001 was er een groep van het Mind and Life Institute (Dahramsala), waartoe zowel de Dalai Lama als de overleden Francesco Varela behoorden, die met succes een opmerkelijk aantal experimenten gingen doen, waarbij men gebruik maakte van de meest actuele MRI scantechnieken, om verschillen te ontdekken bij personen die zich bezighielden met verschillende meditatietechnieken. Deze studies duiden op onvermoede bruggen tussen onderzoek in een der oudste “religies” en onderzoek op de grenzen van de moderne natuur-wetenschap. Ze duiden ook op mogelijkheden voor vergelijkende studies van meditatie in verschillende culturen in de wereld. Dit is een onverwachte en mogelijke belangrijke nieuwe dimensie voor onderzoek naar de bindende elementen en dimensies van verschillende culturen, Das Verbindende der Kulturen.

 

Al zeker sinds de tijd van Plato en Aristoteles bestaan er discussies over de relatieve rol, betekenis en gevolgen van algemeenheden en bijzonderheden. Deze discussies hingen nauw samen met de opkomst van catalogiseringsystemen. De ontwikkeling van de alfabetisering betekende dat zulke systemen letterlijk gealfabetiseerd konden worden. De ontwikkeling van de drukkunst betekende dat zulke systemen sneller uitgewisseld konden worden. Het betekende ook dat de lijsten statisch waren en dat iedere grote verandering een nieuwe publicatie vereiste van de totale catalogisering. De opkomst van nieuwe communicatiemiddelen met complexe, verspreide databanken betekent dat we, voor het eerst in de geschiedenis, dynamische catalogiseringsystemen kunnen maken die veranderingen in tijd, en mogelijk ook in plaats, stroming, interpretatie, enz. weerspiegelen. Waar de beperkingen van de drukkunst de 19de-eeuwse denkers noopten catalogiseringsystemen nog ontologisch te benaderen, zijn we nu in staat ze te zien als mogelijke meertalige, multiculturele, polyvalente ingangen voor onze benaderingen van de wereld. Als we in staat zijn om a) databanken te maken die de originele complexiteit en diversiteit van onze categorieën in tact laten en b) bruggen te slaan tussen deze verschillen, dan hebben we een stevig instrument in handen om dimensies te ontdekken die we allemaal hebben, zonder dat we diversiteiten en eigenheden die ons uniek maken, dreigen te verliezen.

 

6. Tastbare en niet-tastbare cultuur

 

De 20ste eeuw heeft nieuwe werkwijzen voortgebracht die het studiebereik enorm vergrootten. De idee van het opvallend individu dat in de Renaissance in zwang kwam en tijdens de Romantiek opbloeide tot een ideaal van het genie in de 19de eeuw leidde tot een overdreven aandacht voor geniale werken, meesterwerken, het werk van een klein deel van een elitecultuur die vrijwel al het andere overbodig maakte. Gelukkig waren er in de 20ste eeuw ook verbeteringen. Een daarvan ontstond door verkenningen van de volkscultuur, dingen van alledag, in zekere zin een terugkeer naar de Middeleeuwse interesse voor Elckerlyc. Hierdoor kwam het belang van het alledaagse aan het licht, van het vluchtige, het vergankelijke, van het lokale feest en de optocht tot de rol die pubs, auto’s, fietsen en zelfs onbelangrijke zaken speelden.

 

Hiermee samenhangend leverde het werk van UNESCO een verbetering op door behalve op de fysieke, tastbare “producten” van de materiële cultuur (in de vorm van de geconstrueerde omgeving, schilderijen, beelden) ook aandacht te vragen voor het belang van de immateriële, spirituele, ontastbare cultuur (in de vorm van dans, muziek, gebruiken). Recentelijker is men meer gaan beseffen dat de ontastbare cultuur zich in een andere dimensie bevindt met betrekking tot wereldopvattingen, overtuigingen, mythen en essentiële verhalen. Deze laag van ontastbare cultuur zorgt voor uitingen van zowel ontastbare als tastbare cultuur en verandert naar gelang we van de niet-geletterde naar de geletterde maatschappij, de drukkunst en later de moderne communicatiemiddelen gaan. Dit geldt de interesse van Warburg voor Oriëntatie in een nieuw licht. De 19de en vroege 20ste eeuw was vooral gericht op fysieke producten van de cultuur. In de 21ste eeuw zullen we opnieuw worstelen met de vraag hoe wereldopvattingen en theorieën zowel tastbare als ontastbare creatie alsmede productie beïnvloeden.

 

Tegelijk met het hoogtepunt van de 19de-eeuwse interesse voor het Romantisch genie, was er de fascinatie voor een mogelijkheid om Darwiniaanse evolutieverklaringen toe te passen op het sociale Darwinisme en op de “Evolutie van de Cultuur”, wat de titel werd van een beroemd artikel door generaal Sir Pitt Rivers (1875) en de aanzet gaf tot heel wat boeken over dit onderwerp. Een miniversie van deze benadering vond nauwe aansluiting bij (extreem) nationalisme, kolonialisme, imperialisme en bij Europese vooroordelen, en werd vervolgens terecht van tafel geveegd door de post-kolonialisten, -imperialisten en andere post-stromingen.

 

Al in de jaren 1930 waren denkers als Benjamin, Adorno, Horkheimer e.a. gefascineerd door de manieren waarop nieuwe communicatiemiddelen het potentieel voor creatie, productie en vooral reproductie vergrootten. In de late 20ste eeuw werd veel aandacht besteed aan de problemen en gevaren die erbij kwamen kijken. Wellicht zullen we in de 21ste eeuw gaan ontdekken hoe we, deze inzichten indachtig, nieuwe cultuurgeschiedenis kunnen schrijven. Dit zou nieuwe bruggen kunnen slaan tussen cultuurstudies, technologiestudies en hun respectieve, onderling afhankelijke geschiedenissen.

 

7. Grote teksten als bouwstenen van de cultuur

 

In de 19de eeuw gebeurde er veel. Terwijl een groep gefascineerd was door de culturele evolutie, werkten andere groepen met verve aan het identificeren, omschrijven en, steeds vaker, definiëren van het eindresultaat van die evolutie, welke volgens hen in zichzelf besloten lagen. Zeker kenden de Victorianen in Londen en Oxbridge, hun collega’s in Berlijn, Boston, Parijs, Rome en elders ieder hun eigen variatie, maar in grote lijnen deden ze toch hetzelfde. Aan de universiteiten van Oxford en Harvard kon je de “groten” of de klassieken bestuderen. Er was maar een beperkt aantal belangrijke plaatsen dat je moest zien als onderdeel van je grote rondreis. Er was een beperkt assortiment aan boeken dat een heer of dame geacht werd gelezen te hebben. Er was een canon voor literatuur, die later uitgroeide tot canonieke literatuur en voor sommigen gewoon de Canon werd. Deze groepen raakten steeds meer in de ban van de details die bepaalden wie wel en wie niet werden toegelaten tot de steeds kleinere cultuurkringetjes, die sommigen minder poëtisch zagen als kringen van een strop die om hun steeds strakker werd aangehaald: een νούς die een (engels) “noose” werd.

 

Intussen bracht deze zelfde 19de eeuw Sir Edward Fitzgerald tot het vertalen van de Rubayat van Omar Khayyam; de ontdekkingsreiziger kapitein Sir Francis Richard Burton tot het vertalen van Vertellingen van 1001 Nacht en de Kama Sutra; Max Mueller tot het verzamelen van materiaal voor zijn monumentale Sacred Books over het Oosten en bracht Max Weber, beroemd vanwege zijn Protestant Ethic and the Spirit of Capitalism, ertoe verder dan Europa te kijken in zijn poging verschillende vormen van de menselijke maatschappij te doorgronden. Deze 19de-eeuwse rode draad, die al begonnen was in de 16de eeuw in Montaignes verhandeling “On Cannibals” (Des Cannibales), zorgde voor belangrijk werk in vergelijkbare religie, sociologie, antropologie en cultuur door de gehele 20ste eeuw, van de enorm vooruitziende blik waarvan Pitirim Sorokins Social and Cultural Dynamics (1937-1941) getuigde, tot de talrijke veldstudies van UNESCO waartoe ook het werk over Silk Roads uit de jaren 1990 en recentelijker over Digital Silk Roads behoren.

 

De dimensie van studies naar cultuur in de 20ste eeuw, die vaak veronachtzaamd wordt door kortzichtige verdedigers van culturele studies, legt een basis voor nieuwe generaties van onderzoek. Terwijl een deel van de Europese traditie de wisselwerking tussen teksten (bv. de Bijbel) en uitingen in verschillende communicatiemiddelen (schilderkunst, beeldhouwkunst, tekenkunst, graveerkunst, enz.) heeft verkend; heeft een ander, zowel in Europa als daarbuiten, vergelijkbare wisselwerkingen ontdekt met de grote teksten van andere culturen: bv. de Ramayana in India, de Drie Koninkrijken in China; de Tale of Gengi in Japan. Zeker zijn er verschillen. In het Westen zijn kunstuitingen vaker in de vorm van de statische schone kunsten (schilderkunst en beeldhouwen), terwijl ze in het Oosten meer neigen naar de dynamische kunstvormen (dans, theater en zelfs marionetten en schimmenspelpoppen).

 

De toenemende invloed van zulke studies is tot nu toe paradoxaal en complex. Aan de ene kant heeft het de zelfgenoegzaamheid en de illusoire zekerheid aan diggelen geslagen van die bekrompen 19de-eeuwse groepen die dachten dat hun canon, hun kringetje, hun kransje “het helemaal was”. De beperkte op Europa gerichte geschiedenissen die ze schreven zijn sindsdien naar de achtergrond verdwenen, waar ze thuishoren. Maar ze hebben ons ook een grote dienst bewezen. Want met de wijsheid achteraf en een gezonde adempauze voor reflectie van een eeuw, kunnen we het er nu over eens zijn dat deze verschillende kringen in Boston, Berlijn, Moskou, Parijs, Rome en elders wezen op een tot noch toe onopgemerkte internationale canon die wel waardering moest hebben voor Shakespeare, Goethe, Tolstoy als collega’s en de Rig Veda, Boeddhistische schriften, I Ching, Confucius en Lao Tse naast de Talmoet, de Bijbel en de Koran wel moest erkennen.

 

Doordat men zich van een zoektocht naar nationale exclusieve canon ging richten op een internationale meer omvattende canon, is de betekenis van groten veranderd, sommigen zouden zeggen dat ze getransformeerd is, maar opmerkelijk genoeg wil ze maar niet weggaan. In de 19de eeuw werd de grootheid van een tekst beoordeeld op basis van de woorden die hij bevatte. De 20ste eeuw heeft ons geleerd dat de ware grootheid van teksten niet in de woorden liggen maar in hun geest, waarbij ze inspireren tot schilderijen, sculpturen en, sterker nog, een heel scala aan culturele uitingen. Het gaat niet zozeer om de tekst, het voorwerp zelf (het Ding an sich, zoals Kant zou zeggen), maar veeleer om de dingen waartoe de tekst inspireert. Hierin ligt een ware basis besloten voor de beoordeling van zijn grootheid.

 

Nu we een meer mondiale kijk hebben, blijft beoordeling door een elitegroep bestaan, maar het blijft niet meer beperkt tot het nationale niveau of zelfs maar tot de levenden op internationaal niveau. Er is een hogere “elite”; namelijk de tand des tijds en de plaats die onze inspanningen al of niet zullen krijgen temidden van de gezamenlijke werken van de eeuwen. Binnen de context van dit grotere veld van blijvende en steeds terugkerende wijsheid, is een ding duidelijk geworden: een onderliggend kenmerk van alle geletterde culturen is dat er een gelijktijdige diversificatie van uitingen heeft plaatsgevonden, aanvankelijk met een bepaald communicatiemiddel en daarna met alle communicatiemiddelen, wat leidt tot geheugeninstituten en ideeën van een collectief geheugen van de mensheid. Dit is een van de fundamentele verbindende elementen van de culturen, Das Verbindende der Kulturen in de titel van de conferentie. De potentiële geschiedenissen daarvan zijn talrijk en wachten op hun schrijvers.

 

8. Herontdekking van metavertellingen

 

Zoals al eerder gezegd heeft het fiasco van de eenzijdige, bekrompen interpretaties van de verschillende 20ste-eeuwse –ologieën en –ismen sommigen ertoe aangezet te concluderen dat er geen grote lijnen meer te volgen waren, dat er geen grote verhalen meer te vertellen waren, of zoals zij het zelf zeiden, dat de tijd van metavertellingen voorbij was en dat we ons hooguit konden richten op metadata en metaforen. Anderen waren een andere mening toegedaan. Meer gedetailleerde studies naar de inhoud van deze grote werken, die in ieder geval in het verleden mede richting hebben gegeven aan de identiteit van volkeren, culturen en zelfs hele werelddelen; zoals het Boeddhisme in India (met name in Zuidoost) Azië, hebben laten zien dat er ook een paar fundamentele verhalen zijn die universeler zijn dan overtuigingen en verhalen van een enkele cultuur.

 

Al in de 19de eeuw ontdekten wetenschappers dat dat het geval was met de Overstroming. Deze komt voor in de Bijbel, de Koran, in Mesopotamische verhalen als het Epos van Gilgamesh en in zeker 600 legendes van over de hele wereld. Hetzelfde geldt voor de idee van een Boom der Wijsheid en/of een Levensboom waarvan sprake is in de Bijbel, van het Midden- tot het Verre Oosten, Afrika en waarvan er versies zijn als Yggdrassil in Siberië en Scandinavië. In de 20ste eeuw werd ontdekt dat het thema van Mount Meru voorkomt in Afrika en India, in de vroegere Siberische mythen en zijn weg vindt naar de Scandinavische tradities. De idee van drie werelden (een boven-, midden- en onderwereld, waarvan bepaalde aspecten verderop op deze Conferentie worden onderzocht) maakt iets soortgelijks mee; deze komt niet alleen in Europa en Azië voor, maar ook bij de Mapuche-indianen in Chili. De ironie wil dat, terwijl een deel van de wetenschap zijn energie stopte in klagen over de dood van metavertelling, het geduldige werk van anderen in de literatuur, antropologie, archeologie en cultuurstudie onweerlegbaar bewijs heeft opgeleverd dat er onderliggende grote verhalen bestaan. Ze mogen dan niet de statische archetypen zijn waar Jung van droomde, of de universele onveranderlijke structuren, zoals de vroegere structuralisten dachten, maar ze bestaan wel degelijk. Dit is een ander bindend element van de culturen, Das Verbindende der Kulturen.

 

Er zijn dus nieuwe geschiedenissen te schrijven. De 19de- en 20ste-eeuwse pogingen kunstgeschiedenissen en cultuurhistories te schrijven vanuit een puur Europees standpunt waren net zo beperkt als hun evenknieën elders, die alleen maar Aziatische, Chinese, Indiase of Japanse standpunten opleverden. We hebben behoefte aan nieuwe cultuurmodellen, die de verschillende wisselwerkingen van centrale teksten en uitingen nagaan met alle mogelijke communicatiemiddelen in de verschillende culturen en nagaan hoe centrale thema’s, die weer samenhangen met het Griekse topoi (τοποί) hun weg door deze culturen vinden. De digital Silk (en Spice) Roads van UNESCO vormt een uitstekend kader om dit proces te starten. Het is echter nodig dat het uitgebreid wordt, zodat ook de handels- en pelgrimageroutes die banden hebben met Afrika, Zuid-Amerika en Australazië erbij betrokken worden en daarmee alle culturele tradities in de wereld worden weerspiegeld.

 

De enorme uitdagingen die een dergelijke agenda stelt, zijn niet bepaald nieuw. Karl Bühler maakt in zijn klassieke werk over de Theorie van de Taal (Die Sprachtheorie, 1934) gewag van empirische studies door een Zwitserse collega die de etymologie naploos van een bepaald woord in meer dan 1.000 talen voordat hij tot “voorzichtige conclusies” kwam over wat het woord overal in de wereld zou kunnen betekenen. Die bescheidenheid is welkom en noodzakelijk, maar in een wereld met 6.500 talen kan geen enkel persoon hopen ze allemaal te beheersen, laat staan hun literatuur en culturele uitingen. Toch is in een wereld vol netwerken, met behulp van meertalige databases die bruggen slaan tussen betekenissen in plaats van simplistische vertalingen, de weg vrij voor nieuwe generaties van inzicht.

 

De 20ste eeuw heeft ons ook tenminste twee ingrediënten aangereikt die essentieel zullen blijken, nu we nieuwe modellen creëren die in de geest universeel zijn, maar toch niet trappen in de val van alles overheersend imperialisme, die nog steeds sommige aspecten van de globaliseringstrends bemoeilijkt.

 

9. Lokaal-Regionaal-Nationaal-Internationaal-Mondiaal

 

Een eerste is gelegen in het opnieuw beoordelen van de relaties tussen lokaal-regionaal-nationaal-internationaal en mondiaal. In de 19de eeuw leek het antwoord helder. Lokale en provinciale varianten waren hooguit provinciaal. Het waren genante varianten, of liever, afwijkingen van nationale standaarden die op hun beurt nodig geharmoniseerd dienden te worden tot een internationale standaard. Deze visie inspireerde de ISO en zoveel andere instituten in de hoogtijdagen. Op cultureel gebied inspireerde ze een paar internationaal erkende genieën in internationaal erkende centra tot studie. Zo werd Florence bijkans synoniem met de Renaissance en Parijs met het impressionisme enz.

 

De 20ste eeuw liet een veel complexer beeld zien. In studies over de Renaissance erkenden wetenschappers als Chastel het belang van Florence, Rome en Venetië, merkte op dat er nog andere centra waren zoals Bologna, Genua en Milaan en wees op lokale hoven als Faenza, Ferrara, Mantua, Parma en Urbino, alsmede op andere plaatsen die tot dan toe als onbeduidende periferieën werden beschouwd: Brescia, Bergamo, Città di Castello, Cremona, Gerace, Lucca, Padua, Pavia, Perugia, Pisa, Prato, Pistoia, Ravenna, San Sepolcro, San Gimignano, Siena, Spoleto en Verona. Geleidelijk aan werd duidelijk dat deze plaatsen alles behalve gewone satellietsteden van Rome, Florence en Venetië waren. Ze waren een aanwijzing voor de diversiteit en rijkdom van de Renaissance. In de loop van de voorbije halve eeuw hebben deze essentiële inzichten zich geleidelijk aan verbreid en hebben recentelijk hun beslag gevonden in een opmerkelijke politieke uiteenzetting in een boek van Giorgio Ruffolo (lid van het EP) over The Unity of Diversities (2001).

 

De gevolgen van deze inzichten voor onderzoeksprogramma’s van de volgende generaties zijn even eenvoudig als essentieel. Het 19de-eeuwse streven naar internationaal overeengekomen standaards blijft belangrijk. Tegelijkertijd is men het erover eens dat het streven naar een opgelegd enkel universeel “toonaangevend document” voor wat betreft personen, plaatsen en dingen een gevaar voor de diversiteit is. We hebben behoefte aan nieuwe typen databases, die een standaard versie gebruiken (meer vanwege het technisch gemak) en tegelijkertijd de lokale, regionale, nationale en internationale versies intact laten en opslaan. In dit verband is het voorwerk van het AMP (Accès Multilingue au Patrimoine) Consortium belangrijk geweest. Dit streven geldt niet alleen de terminologie en bibliotheek- en informatie-wetenschap, maar ook de verschillende versies van verhalen en geschiedenissen, wat ons in staat stelt de “officiële” nationale versies te vergelijken met de variaties in de provincies, de regio en die op lokaal niveau. De postmodernisten hebben iets belangrijks aangeroerd door zich op het standpunt te stellen dat monolithische, monolinguale, monoculturele metavertellingen iets uit het verleden zijn. Dit wil echter niet zeggen dat we geen nieuwe typen metavertellingen kunnen creëren die erkennen dat er diversiteit is op lokaal, regionaal, nationaal, internationaal en globaal niveau en ook nog bruggen ertussen slaat. Dit is nog een ander verenigend element van culturen, voor Das Verbindende der Kulturen.

 

10. Taal als Unicum

 

Een ander essentieel inzicht van de 20ste eeuw had te maken met de aard en rol van de taal. Vóór de 19de eeuw bestond er de brede opvatting dat er ooit een universele taal was geweest (een Ursprache) waar alle andere talen uit ontstaan waren. De opvatting die hiermee samenhing bestond in een vooronderstelling dat verschillende talen “gewoon” een vertaling waren. Dit hield in dat verschillende talen uiteindelijk hetzelfde uitdrukten, gebruik makend van gewoon een andere code die geleerd diende te worden. In de 19de eeuw werd Wilhelm von Humboldt (1836) een van de eersten die expliciet taal en filosofie in verband met elkaar bracht, waarbij hij taal en gedachten gelijkstelde in wat nu wordt genoemd de Weltanschauung (wereldbeeld) hypothese, die bijna een eeuw later opnieuw geformuleerd werd als de Sapir-Whorf hypothese (1929). De Franse traditie heeft deze ideeën officieel opgepakt via Lerat in ISO 1087 (1990) opdat “er een eind werd gemaakt aan het idee van een nomenclatuur in gewone zin” en te accepteren dat “iedere taal de realiteit verdeelt en organiseert op een andere manier”. Dit houdt in dat het terugbrengen van alle talen tot slechts een natuurlijke taal geen zin heeft. Vertalen in de engste zin van het woord is dood. Lang leve de uitdaging van het bruggen slaan, het in kaart brengen, het maken van oversteekplaatsen, doorgangetjes en andere manieren om te ontstijgen wat wel eens je reinste solipsisme zou kunnen worden.

 

Deze ontdekking dat verschillende talen grote verschillen kennen gaat verder dan cultuur voor zover die gaat over ons begrip van de wetenschap zelf. Nog maar 35 jaar geleden werd Michel Foucault beschouwd als een van de pioniers van nieuwe wetenschappelijke benaderingen toen hij zijn boek Archeology of Knowledge (Archéologie du savoir) publiceerde. Hij was modern in wat hij verstond onder wetenschap als lagen die blootgelegd en ontdekt worden als een archeologische opgraving en toch bleef hij het hebben over wetenschap (zich daarbij richtend op savoir en minder op connaissance). In de vroege jaren 1980 brak Howard Gardner, voortbordurend op de ideeën van Sternberg, een lans voor meervoudige intelligenties. Sindsdien gaat deze notie veel verder dan gewone gemoedsgesteldheden. Een van de beknoptste uitspraken over het probleem werd onlangs gedaan door Philippe Quéau, die nu hoofd is van UNESCO te Moskou:

 

De mondiale informatiemaatschappij neigt ernaar een verenigde, mondiale markt van geformatteerde uitwisselingen en gebruiken te creëren, terwijl kennismaatschappijen er in veel meer verschillende culturele smaken zijn en een basisingrediënt zijn voor echte diversiteit. Zo is het Angelsaksische begrip van “knowledge society” niet gelijk aan het Franse “société du savoir”, linguïstisch gezien althans. De etymologie van zowel het Engelse woord “knowledge” als het Engelse hulpwerkwoord “can” zijn nauw met elkaar verbonden, terwijl de etymologie van het Franse woord “savoir” verbonden is met de Indo-europese wortel <sap>, “proeven”, waar woorden als “sapience” of “sapid” van afgeleid zijn. In het Russisch komt “çíàíèå”, net als “æåíùèíà”, van de Indo-europese wortel <gen>: “baren, genereren, wetenschap”. In ieder geval etymologisch gezien duidt knowledge op nuttigheid en macht, savoir duidt op theorie en overpeinzing en çíàíue duidt op ontwikkeling. Dit gaat niet zomaar over woorden. Het zou wel eens de indicatie kunnen zijn dat er verschillende filosofische visies zijn ten aanzien van de rol van wetenschap. Uiteindelijk kan het wel een aan het licht brengen dat er in het wordingsproces van de grondslagen van een maatschappij verschillende maatschappelijke doelen zijn.

Ontegenzeggelijk hebben de woorden “manieren van weten” in de voorbije tien jaar een onverwacht aantal betekenissen gekregen met betrekking tot de invloed van nieuwe communicatiemiddelen, vrouwenstudies, als beschrijvingen voor natuurwetenschap en religie, als een benaderingswijze tot de Levensboom, met betrekking tot de benaderingswijzen van de Inuit, de Noordamerikaanse Indianen en de Aboriginals van Australië.

 

In het licht van vorenstaande kunnen we maar beter aannemen dat vreselijke voorspellingen over het einde van de wetenschap en End of History (men vergelijke Fukayama, 1999) voorbarig zijn en wel eens meer gemeen kunnen hebben met een bekende serie apocalyptische teksten dan zij die neigen naar het niet-wereldlijke geneigd zijn toe te geven. Het is duidelijk dat het eeuwenoude streven om een Organon, een Summa, een Encyclopedie te schrijven meer moet zijn dan een Wikipedia in een nieuw communicatiemiddel. Een geschiedenis van de wetenschap(pen) moet veel verder gaan dan een geschiedenis van de (natuur)wetenschap(pen), verder dan Studies van Wetenschap en Techniek opdat duidelijk gemaakt wordt hoe sommige benaderingswijzen van wetenschap gericht zijn op, de voorkeur geven aan en gecultiveerd worden door wetenschap als macht, controle en overheersing, terwijl andere gericht zijn op wetenschap als doorgronding, als smaak, als genezing (in traditie van de sjamaan en de medicijnman), als iets wat zowel fysiek is, zoals in de Hebreeuwse traditie (iemand kennen in de Bijbel) als metafysisch, zoals in ontwikkeling, geboorte en nieuwe creatie.

 

Zoals we hebben ontdekt dat er zeer verschillende manieren van weten zijn, verschillende vormen van weten, zo worden we er ons ook steeds meer van bewust dat er verschillende manieren zijn om al of niet te communiceren wat we weten. In sommige culturen wordt iemands intelligentie beoordeeld naar de mate waarin hij alles kan zeggen wat hij weet. In andere culturen is wijsheid vooral de mate waarin iemand niet alles zegt wat hij weet. Als we netwerken maken waarop personen van zulke verschillende culturen elkaar zullen ontmoeten, hoe kunnen we dan kaders maken waardoor babbelzieke personen inzien dat zwijgen goud kan zijn en niet simpelweg een stilzwijgende bekentenis van onwetendheid? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de zwijgende wijzen de kletsende wijsneuzen niet afdoen als slechts babbelboxen? Hoe kunnen we communicatiesystemen maken die ons bewust maken van wat Edward T. Hall aanduidde als de Hidden Dimension (1966).

 

11. Uitdagingen van verschillende niveaus van afstand

 

Sterker nog: hoe creëren we wetenschapsstructuren die ons in staat stellen zeer verschillende benaderingswijzen tot ogenschijnlijk dezelfde thema’s, topoi, wortelmetaforen en gewone elementen die verbindende elementen van culturen vormen, Das Verbindende der Kulturen te begrijpen? En hoe creëren we nieuwe raakvlakken voor zulke wetenschapssoorten, voor deze zo verschillende manieren van wetenschap, waardoor we, als we er dieper op ingaan, begrijpen dat sommige culturen gericht zijn op de scheiding van onszelf met wat we zien (wat Cassirer zo treffend beschreef als het subject-objectprobleem in zijn boek Individual and the Cosmos), terwijl andere, zoals de Grieks-orthodoxe en de Slavische tradities, een middenweg creëren tussen vroom beschouwer en heilig figuur beschouwd via de Iconostase, en in het Oosten het streven weer anders is; daar ligt de uitdaging in het eenmaken van ons met de natuur en het grote onbekende. In alle drie deze culturen zijn de manieren van wetenschap en de manieren van geloven nauw met elkaar verbonden. In het Oosten worden we Een met alles. In het Westen is, zoals Robin Williams ons spottend heeft doen herinneren, “een met alles” voor hamburgers, maar niet echt voor onze relatie met Yahweh/God/Allah.

 

In de 19de eeuw kwam men nog steeds in de verleiding om ongeletterde culturen af te doen als primitief en aan te nemen dat er sprake was van een directe evolutie van ongeletterdheid via alfabetisering en gedrukte alfabetisering tot de nieuwe communicatiemiddelen. Nu is een dergelijk benaderingswijze niet alleen politiek incorrect, ze is ook volstrekt verkeerd op vrijwel alle fronten, zelfs als die bewering zelf op haar beurt door velen als politiek incorrect wordt beschouwd. Achteraf gezien komen we tot het inzicht dat wat onafscheidelijke verbindingen leken tussen culturen met schrift/ boekdrukkunst en beschaving een veel te enge benaderingswijze is. Veel orale samenlevingen, met name nomadisch volkeren, worden door deze voorwaarden niet gehinderd.

 

12. Culturele activiteiten als Integrerende Weg

 

De ironie wil dat het intensieve en extensieve onderzoek van de 20ste eeuw ons terugleidt naar vroeg 18de-eeuwse ideeën van de “edele wilde” (Rousseau), maar dan in een nieuw jasje. Personen in ongeletterde samenlevingen kunnen niet afgedaan worden als minder menselijk, of helemaal niet als minder voor zover het de intrinsieke waarde betreft. Tegelijkertijd blijft wel overeind (een vroegere generatie zou gezegd hebben het objectieve feit) dat ongeletterde culturen normaal gesproken minder culturele creaties en “producten” hebben die deel gaan uitmaken van een aangroeiend collectief geheugen dan culturen in samenlevingen die geletterd zijn, drukschrift hebben of nieuwe communicatiemiddelen. Hun doelen, buiten die van het pure overleven, neigen meer naar het creëren van een betekenis of een binding, die hen verbindt met een wereld buiten henzelf en met inrichting via patronen en versieringen die dit proces van binding duidelijker maken.

 

Door de opkomst van de alfabetisering wordt imitatie een van de basisdoelen. Door de boekdrukkunst worden deze doelen uitgebreid met combineren, mengen en later ontdekken. Zulke basisdoelen kunnen in verband gebracht worden met een klein aantal culturele activiteiten (fig. 1). In deze benaderingswijze kan vooruitgang niet terugbracht worden tot een eenvoudige lineaire vergelijking als later is groter en beter. Veel van de basisdoelen zijn er altijd al geweest. Dat is ons gewone menszijn, Das Verbindende der Kulturen op oerniveau.

 

Terwijl “technologische” vooruitgang zoals alfabetisering, boekdrukkunst en nieuwe communicatiemiddelen invloed zullen hebben op de kwantiteit en vaak ook kwaliteit van de culturele productie en uiting, ligt er in de doelen en gehoren van deze uitingen een diepere verandering besloten. In ongeletterde culturen is het doel van de oefening om de gemeenschappelijke doelen, inzichten en waarden van een groep of stam tot uiting te brengen, wat via mythen en legenden uitmondt in een vorm van religie, een woord dat etymologisch verbonden is met het werkwoord “(ver)binden”, samenbrengen. In een geletterde maatschappij, groeit die steekhoudendheid, die goeddeels mondeling was geweest uit tot (helden)dichtkunst, zang en andere uitingen, en wordt steeds meer in verband gebracht met individuen die beginnen als sjamanen en bards en uitgroeien tot poëtische, literaire en kunstzinnige figuren.

Cultureel doel

Technologie

Middelen

1.Aansluiting vinden

 

 

 

2.Orde brengen

 

 

 

 

 

Ongeletterdheid

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1. Denken, Zin geven

Mythologie

Religie

Filosofie

2. Doen, Fysieke logica

Bouwen

Maken

3. Uiten

Literatuur

Kunst

Wiskunde

3. Imitatie (mimesis)

4. Koppelen

 

 

5. Mengen

6. Ontdekken

Geletterdheid

Boekdrukkunst

 

 

 

 

4. Voorstelling

5. Uiting

          - direct

          - via geschreven

6. Vertalende middelen

7. Omvormende middelen

7. Verspreiden

 

 

Nieuwe middelen

 

 

8. Uitgeven met tolerantie

9. Uitwisselen

10. Helpen 

Fig. 1. Zeven doelen en tien middelen als ingrediënten voor een nieuw cultuurmodel

 

In samenlevingen die de boekdrukkunst kennen, wordt de individualisering van deze individuen geleidelijk zo nadrukkelijk dat het streven naar individuele uiting de bindende thema’s van de maatschappij en de cultuur in bredere zin wel eens kan afweren, ermee kan concurreren of er zelfs een bedreiging voor kan zijn. De artiest als bindende kracht wordt dus een gedeeltelijke paria in zoverre dat hij/zij meer bevooroordeeld is, de rebel wordt, de weirdo, zelfs de gek, uitgezonderd van de norm die hij/zij intussen aanvecht om haar ruimer te maken.

 

De opkomst van nieuwe communicatiemiddelen zorgt voor een radicale groei in de mogelijkheden van verbreiding, verspreiding van producten, maar ook voor nieuwe parameters voor die activiteiten. Is verspreiding er alleen maar voor controle-uitbreiding of om de tolerantie te vergroten? Is het er alleen maar om uit te wisselen of om te helpen? In deze benaderingswijze gaan culturen niet alleen over wat ze produceren maar ook over hoe ze hun culturele producten en creaties uitwisselen. Hoewel dictators grote gebouwen en enorme monumenten kunnen bouwen, maakt dit hen nog geen nazaten van grote culturen.

 

Die benaderingswijze kan een choque zijn voor hen die verkondigen dat intellectuele vooruitgang uitsluitend ligt in de terugtrekking van Aristoteles’ vier motieven (materieel, efficiënt, formeel en finaal) naar een meer pragmatisch kijk waarbij er alleen maar materiële oorzaken overblijven, waarbij de mens is wat hij eet (“Der Mensch ist was er isst.” Feuerbach) of de mens alleen maar is wat hij doet en wetenschap actie is (Huxley). Maar dan zou het te gemakkelijk zijn om te verkondigen dat de dood van de vooruitgang op zich genoeg zou zijn om terug te gaan naar een motief, in plaats van de uitdaging aan te gaan de vier bestaande motieven in een nieuw licht te zien. Het vergaande voordeel van onze benaderingswijze is dat er erkenning is voor de bijdragen van de ongeletterde en geletterde culturen, van de culturen die de boekdrukkunst kennen en van de culturen die de nieuwe communicatiemiddelen kennen, terwijl tegelijkertijd rekening wordt gehouden met ontwikkelingen in de richting van complexiteit zonder opdringing van simplistische lineaire kaders van groter is beter.

 

Zij die de dood van de metavertellingen benadrukken en bepleiten dat er geen objectiveerbare vooruitgang is, alleen maar “een speelse viering van de chaos”; zij die uit nostalgie verkondigen dat ze “het optimisme van de Verlichting verlaten hebben”, hebben in zoverre gelijk dat de nogal simplistische ideeën over de maakbaarheid van de mens die de opkomst aanwakkerden van de vrijmetselarij, de Verlichting en zoveel andere politieke bewegingen naar een gedwongen democratie, niet langer waar zijn op de manier zoals ze dat waren in de 18de eeuw. En toch leunen zij die de dood van de vooruitgang verkondigen, zij die stellen dat er geen cumulatieve dimensie is, nog sterker op de zogenaamde postmoderne technologie om zich ervan te verzekeren dat ze het op een zeer moderne manier behaaglijk hebben en ze kunnen rekenen op de nieuwste netwerken om toegang te krijgen tot hoeveelheden kennis die zelfs een generatie geleden nog ondenkbaar waren. Helder zijn over problemen en gevaren, met name over die van primitieve modellen uit het verleden, is nog lang niet hetzelfde als nieuwe modellen voor de toekomst creëren.

 

13. Conclusies

 

Plus ce que ça change, plus ce que c’est la même chose zei Voltaire. In sommige opzichten had hij groot gelijk. In de jaren 1890 noemden de neo-Kantisten kunstenaars de onderzoekers van de wetenschap. Zo’n zestig jaar later noemde Marshall McLuhan kunstenaars de eerste alarmsystemen van de toekomst. Nu hebben culturele wetenschappers die ons graag doen geloven dat wetenschap er niet toe doet het steeds over kunstenaars (bv. William Gibson) als profeten van opkomende mogelijkheden. Iedereen lijkt het erover eens te zijn dat wetenschap geen kunst is en toch zijn er boeken met de titels Science of Art en Art of Science.

 

Cultuur is zowel kunst als wetenschap en derhalve nog moeilijker te definiëren. In de voorbije 50 jaar waren er talrijke momenten waarop het leek dat wat ooit onvermijdelijk werd geacht, moeilijk te definiëren en misleidend was geworden, alsof de eerdere grote verhalen onjuist waren en alsof het vertellen van verhalen een kinderlijke gewoonte was die uit de tijd was in de serieuze volwassenenwereld. Dat onvertelde verhalen van het verleden ontoereikend waren wil niet zeggen dat onvertelde verhalen van de toekomst niet verteld kunnen worden.

 

We hebben aangevoerd dat de stevige titel van deze conferentie Das Verbindende der Kulturen, veel meer is dan een optimistische strijdkreet in een zwaarmoedige omgeving. We zijn tot het inzicht gekomen dat de 20ste eeuw veel ontwikkelingen met zich bracht die duidelijk de beperkingen hebben blootgelegd van eerdere pogingen in deze richting. Ook hebben we opgemerkt dat er in de 20ste eeuw vier onderzoeks-velden onder de aandacht kwamen die duiden op nieuwe funderingen voor dergelijke bindende elementen en dimensies van culturen. Deze velden brengen nieuwe benaderingswijze een met zich mee voor wat betreft: 1) relatie en schaal; 2) ontastbare en tastbare cultuur; 3) teksten als bouwstenen van de cultuur en 4) de herontdekking van metavertellingen. We hebben laten zien dat deze nieuwe lijnen verbonden zijn met twee andere die oppervlakkig duiden op diversiteit in plaats van binding, namelijk 5) verbanden met lokaal-regionaal-nationaal-internationaal-mondiaal en 6) een ontdekking dat taal uniek is en derhalve niet te vertalen is als zomaar een vergelijking tussen verschillende tekens.

 

Michel Laclotte, voormalig directeur van het Louvre, heeft beweerd dat cultuur de nieuwe religie is en dat musea de kathedralen van de nieuwe tijd zijn. Dat is een verleidelijke verklaring voor een complexer relatie die Paul Tillich diepgaander onderzocht in zijn boek Theology of Culture (1964). Waar het ons om gaat, is dat er belangrijke manieren zijn waardoor cultuur in deze bredere zin banden kan creëren die verder reiken dan de enge verbinding die besloten ligt in de etymologische verbindingen met re-ligio (verbinden), die maar al te vaak uitmondden in religieuze oorlogen en sektarische strijd. Cultuur in diepere zin creëert een zodanig kader voor religie dat het een bindende en niet een explosieve en ontbindende factor wordt.

 

Met de conclusie dat nieuwe metavertellingen mogelijk zijn kunnen we moeilijk stellen of zelfs pretenderen dat ze makkelijk te creëren of in stand te houden zijn. We gaven aandacht aan uitdagingen om nieuwe systemen te creëren waardoor er begrip ontstaat tussen een cultuur waarin zeggen intelligent is en een andere waarin zwijgen wijsheid is. We schonken aandacht aan uitdagingen om raakvlakken te creëren die verschillende niveaus van afstand in culturen weerspiegelen. Tegelijkertijd voerden we aan dat culturele activiteiten nieuwe cultuurmodellen bieden die de wapenfeiten samenvoegen van nomadische en gezeten culturen; van ongeletterde en geletterde culturen en van culturen met kennis van de boekdrukkunst en die met nieuwe communicatiemiddelen, als ook eenheid in verscheidenheid te cultiveren.

 

De 20ste eeuw heeft ons geleerd dat manieren van weten, van kennis van cultuur oneindig veel diverser zijn dan wetenschappelijke of artistieke kennis, alleen of samen; veel diepgaander dan kennis als macht, kennis is macht en kennis = macht. De koninkrijken van cultuur gaan over vele soorten van kennis waaronder ook de impliciete kennis en reiken tot kennis als smaak, als fysiek kennen, als voortplanting en bevalling, als het schenken van leven en als schepping. Het wachten is op de schrijvers van de nieuwe geschiedverhalen van wetenschap die de Europese en Aziatische beperkingen van weleer ontstijgen, die ons in staat stellen met een frisse blik naar het grote geheel te kijken en tegelijkertijd de details levend te houden, dat is, zoals het Duitse spreekwoord luidt waar God en/of de duivel wonen. We hebben mondiale modellen nodig die de niet alleen de raakvlakken cultiveren tussen het mondiale (mondiaal-lokaal) maar ook de onderlingen verbanden laat zien tussen lokaal-regionaal-nationaal-internationaal en mondiaal. Als we dit bewerkstelligen, zullen we echte vooruitgang boeken voorbij de een-modelkennis naar kennis van meerdere middelen, manieren van weten en wetenschap van manieren om zo verder te gaan dan kennis is macht naar kennis als creatieve innovatie en uitwisseling. Dat zijn de bindende elementen die we nodig hebben; niet alleen ontbrekende schakels maar schakels naar ontbrekende inzichten; het slaan van bruggen naar openbare werelden zonder inbreuk te maken op privé-werelden; bindende inzichten die gecombineerd kunnen worden terwijl het unieke van individuen toch gecultiveerd wordt.

Dankwoord

 

Mijn dank gaat uit naar professor Arlt om mij als eerste uit te nodigen om mee te doen aan de conferentie. Al gemaakte afspraken op exact dezelfde data met de UNESCO Digital Silk Roads Conference (Nara) beletten mij echter aanwezig te kunnen zijn op de conferentie in Wenen. Ik ben Heiner Benking zeer dankbaar dat hij me achteraf toch toevoegde aan het panel van deelnemers. Ik dank Nino Niën hartelijk voor de vertaling van het Engels in het Nederlands.